Project KSE4Zambia

Eind vorig schooljaar heeft de werkgroep KSE4Zambia leerlingen van de bovenbouw van de KSE in Etten-Leur uitgedaagd om zelf te participeren aan een ontwikkelingsproject in Afrika. Meer specifiek betrof het een bèta-gerelateerd probleem in de Zambezi regio (Zambia). De leerlingen werden uitgedaagd een technische oplossing te bedenken die ervoor moet zorgen dat permanente irrigatie mogelijk is om akkers gedurende het gehele jaar te gebruiken. Hierdoor stijgt de directe voedselvoorziening van een hele regio. Daarmee helpen ze zowel de lokale economie als de ontwikkeling van de levensstandaard.

Continue reading

Ontwikkelingssamenwerking in de onderwijspraktijk van het VO

Een mooie en eerlijke wereld; ieder jaar zetten vele scholen zich er weer voor in. Diverse ontwikkelingshulpprojecten kunnen vaak rekenen op de belangstelling en inzet van medewerkers, leerlingen en de omgeving van diverse scholen. Deze besteden dikwijls gedurende een periode in het schooljaar aandacht aan een goed doel. Door toenemende kritiek vanuit diverse kanten van de samenleving op besteding van ontwikkelingsgelden, daalt echter het maatschappelijk draagvlak.
Daarnaast, en misschien wel daardoor, wordt er vanuit de overheid op ontwikkelingssamenwerking bezuinigd. Een zorgwekkende trend die niet past in onze jarenlange traditie wereldwijd voorloper te zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Dit leidt tot onrust bij veel stichtingen die op dit terrein actief zijn en door deze ontwikkeling komen bij veel scholen dergelijke acties op losse schroeven te staan. Hoe moet het tij gekeerd worden? En hoe kunnen we ervoor zorgen dat de
morele essentie weer toeneemt? Stichtingen en scholen moeten de handen ineen slaan en teruggaan naar de basis waar het allemaal begon: het idealisme van een eerlijke en betere wereld moet weer centraal komen te staan. Uitgangspunt moet daarbij zijn: eigen participatie van jongeren in het ontwikkelingswerk. Dit zorgt voor verbreding van een maatschappelijk draagvlak en doet recht aan het talent, de passie en motivatie die jongeren hebben voor ontwikkelingswerk.

In tegenstelling tot een aantal jaar geleden gaat er minder overheidsgeld naar ontwikkelingssamenwerking. Met het aantreden van kabinet Rutte II doet Nederland een stapje terug en wordt er ruim een miljard euro op deze post bezuinigd. Daarnaast berichtten diverse media de afgelopen jaren dat ontwikkelingsgelden verkeerd werden besteed. Kritiek die werd geuit zonder te realiseren dat ontwikkeling per definitie een proces inhoudt, waarbij men rekening moet houden
met talloze variabelen, die overigens geen van alle vanaf de gemakkelijke zetel in Nederland worden opgelost. Het is even paradoxaal als verwonderlijk dat de Serious Request actie van radio 3FM in december 2012 een recordbedrag wist te behalen. Een teken dat het in commerciële vorm wel werkt? Of wordt dan vooral het eigen sentiment gediend?

Nederland heeft een zeer genereuze en principiële reputatie als het gaat om geld inzamelen voor het goede doel. Vooral na de desastreuze rampen als de tsunami in Zuidoost Azië (2004) en de aardbeving in Haïti (2010), stortte Nederland massaal op giro 555. De huiveringwekkende beelden zorgden voor een keiharde impact op ons netvlies. In het verleden begon dat sentiment in de late jaren ’60 met de gruwelijke genocide in Biafra (Nigeria). Televisiebeelden van vreselijk hulpeloze en ronduit mensonterende omstandigheden zijn sindsdien onlosmakelijk verbonden met het plichtsbesef van ons als westerling. Het doet ons steeds realiseren op welk welvaartsniveau we leven. Een gevoel dat hand in hand ging met de politiek, die steevast hulp bood, ongeacht welke financiële of economische crisis van toepassing was in Nederland. We hebben voedsel in overvloed, onderdak, scholing, medische zorg en zelfs een sociaal vangnet. En natuurlijk, er bestaat armoede in Nederland, maar is dat kritiekpunt toereikend voor morele en financiële bezuinigingen op het thema van ontwikkelingshulp?

Een bekend spreekwoord luidt ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Aannemelijk is dat waar in grote humanitaire crises gehakt (lees: gewerkt) wordt meer spaanders vallen. Oftewel er is meer basis om kritiek op te leveren. Los van de vraag of de kritiek terecht is, vergeet men in acht te nemen dat dit nog altijd in schril contrast staat met het levenspeil waarop zij zichzelf begeven. Geen enkel mens wil hulpbehoevend zijn en blijven.

Ontwikkelingswerk in het voortgezet onderwijs
Ontwikkelingssamenwerking wordt daarom steeds meer een particuliere verantwoordelijkheid en nog meer dan voorheen zal het werk op de schouders terecht komen van hen die zich bekommeren om een eerlijker wereld. Voor scholen ligt daar de kans om na te denken over een andere opzet. Louter geld inzamelen in het kader van het goede doel, een mooie cheque overhandigen aan een vertegenwoordiger van een of andere organisatie en er vervolgens de rest van het schooljaar geen aandacht meer aan schenken, past niet meer in dit tijdsbeeld van een ander economisch besef en doet weinig recht aan de morele ontwikkeling van de leerling. Immers, veel leerlingen in het VO hebben de motivatie, het talent en de passie om zich in te zetten voor ontwikkelingshulp. Dat biedt voor scholen de uitdaging om lokaal geïnitieerde projecten te ondersteunen en mee te werken aan een fundamentele oplossing. Daarmee hebben medewerkers en leerlingen de kans om zelf te
participeren in ontwikkelingshulp. Scholen moeten echter willen en durven om met stichtingen die samenwerking te zoeken. Zo leiden zij samen de ontwikkelingswerkers voor de toekomst op.

Concreet houdt het plan in dat er een bestaand ontwikkelingsprobleem in een derdewereldland aan wordt gepakt en als casus wordt voorgelegd aan de leerlingen in de bovenbouw van een middelbare school. Belangrijke voorwaarde hierbij is dat het ontwikkelingsprobleem lokaal geïnitieerd en gedragen wordt en de betrokken stichting transparant en duurzaam werkt. Uit diverse onderzoeken (o.a Boekestijn, Moyo) blijkt dat een kleinschalige manier van ontwikkelingswerk het meest effectief
is. De betrokken docenten zorgen daarbij voor de nodige onderwijskundige ondersteuning, die de transfer vanuit het onderwijs in het kader van ontwikkelingssamenwerking eist. De leeropbrengst is tweeledig. Enerzijds is er de persoonlijke ontwikkeling als mens (kennismaking met andere culturen, mensen, omgaan met verschillen, omgevingen en de verbreding en verdieping van hun belevingswereld). Anderzijds wordt in het cognitieve domein winst geboekt door de ontwikkeling die de leerling maakt in het bedenken, ontwerpen en uitvoeren van zijn plan in de praktijk. Gedurende deze fases werkt de leerling, in samenwerking met het team, aan diverse facetten van competentieontwikkeling.

Deze gedachtegang is ontstaan, omdat er voornamelijk in het voortgezet onderwijs een wildgroei aan projecten ontstonden, waarvan enkele zelfs met een commercieel doeleinde. Niet de hoeveelheid leerlingen of de minimumopbrengst van een scholenactie moet overheersen, maar de kwaliteit van het project zelf moet centraal komen te staan, daarbij gebruikmakend van de onderwijskundige ondersteuning van scholen en de expertise op het gebied van ontwikkelingssamenwerking van lokaal opererende stichtingen. Deze manier van werken vereist dan ook een goede samenwerking tussen school en stichting. De stichting dient een lokaal belang in een ontwikkelingsland en heeft daar ook contactpersonen. In Nederland moet in ieder geval een contactpersoon zijn die met de school de transfer van de casus kan uitwerken. Leerlingen werken mee aan alle fases en gaan ook daadwerkelijk naar het ontwikkelingsland toe om hun ontwerp te implementeren. De overheadkosten die dit project met zich meebrengt, zijn lager dan de bekendere organisaties maken. Er wordt immers geen geld uitgegeven aan PR, salarissen e.d. waardoor er feitelijk meer overblijft voor het project zelf.